Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

Transitie GGZ achter de rug, maar wat nu?

De transformatie in de Geestelijke Gezondheidszorg zorgt voor onrust, onduidelijkheid en onvrede. Het oude onderscheid tussen eerstelijns- en tweedelijnspsychologie heeft in 2014 plaats gemaakt voor het onderscheid tussen Generalistische Basis GGZ (GBGGZ) en Specialistische GGZ (SGGZ). De zorgaanbieders hebben koud de veranderingen kunnen doorvoeren in hun praktijken of de volgende grote verandering is een feit.

Sinds januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor jeugdzorg, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Met deze decentralisatie wil het kabinet een effectiever, meer samenhangend en goedkoper stelsel van jeugdzorg verwezenlijken, dat dichter bij de mensen staat.

Ook de financiering van psychische hulp aan kinderen en jongeren, de Jeugd-GGZ, wordt  vanaf 2015 vergoed door de gemeenten in plaats van de zorgverzekeraars. Dit heeft nogal wat voeten in de aarde. In plaats van met de circa 60 zorgverzekeraars in Nederland moeten de zorgaanbieders nu met enorme hoeveelheid instanties en gemeenten contact leggen, afspraken maken en onderhandelen. De onafhankelijke gemeenten hebben verschillende afspraken, codelijsten, budgetplafonds en procedures die de zorgaanbieder per gemeente dient bij te houden. Dit zorgt voor een troebele markt, waarbij zowel de zorgaanbieder als de patiënt door de bomen het bos niet meer ziet.

De administratielast voor de zorgaanbieders is enorm. Zorgverleners zijn veel tijd kwijt aan de verantwoording van de geleverde zorg en administratieve taken. Deze tijd kan niet aan de patiënten worden besteed en het leidt tot frustratie bij de medewerkers. Een steeds groter gedeelte van het bedrag dat bestemd is voor zorg wordt besteed aan de administratieve verwerking van zorg en de controle van die administratie. Dit komt de kwaliteit van zorg niet ten goede.

Daarnaast lijkt de informatievoorziening van de gemeenten momenteel ver onder de maat, waardoor het berichtenverkeer dat nodig is voor kwalitatief goede zorg vooralsnog onmogelijk is. Om de informatie-uitwisseling mogelijk te maken is de iJW-standaard ontwikkeld. Via deze standaard worden de volgende berichten verstuurd:

·         De toewijzing van de gemeente met de opdracht voor het leveren van jeugdhulp

·         Een gestarte of gestopte behandeling van de zorgaanbieder van GGZ-jeugdhulp aan de gemeente

·         De declaratie en verantwoording voor de geleverde GGZ-jeugdhulp van de zorgaanbieder naar de gemeente

Zolang er nog geen informatie-uitwisseling mogelijk is zijn de zorgaanbieders financieel op hun eigen reserves aangewezen. Deze onverwachte kosten leiden tot ongewenste consequenties zoals faillissementen, zelfstandige aanbieders die zich terugtrekken en het ontstaan van lange wachtlijsten voor patiënten.

Naast de veranderingen in de financiële afhandeling wijzigt het verwijsproces. In de oude situatie verwees de huisarts de patiënt naar de zorgaanbieder. Nu verwijzen het wijkteam (gemeente), de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts. Echter, dit proces is nog niet optimaal en er bestaat nog veel onduidelijkheid over. Zo dient de huisarts te verwijzen naar de wijkteams of jeugdarts, zodat deze vervolgens kan doorverwijzen naar een ggz-instelling. Dit is omslachtig en tijdrovend. Bovendien hebben huisartsen de wettelijke bevoegdheid om rechtstreeks te verwijzen naar jeugdhulp. Hierover moeten afspraken gemaakt worden tussen de huisartsen en de gemeenten, maar in veel gevallen is dit nog niet gebeurd.

Tot slot het woonplaatsbeginsel en de situatie dat de patiënt 18 jaar wordt tijdens een behandeling.  Het woonplaatsbeginsel is cruciaal in het bepalen van de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheidsverdeling omdat het bepaalt welke gemeente verantwoordelijk is voor het inzetten van jeugdhulp. Zodra er iets veranderd in de woonsituatie van de jeugdigen moet de zorgaanbieder zijn administratie daarop aanpassen.

Over de hulp aan patiënten die tijdens de behandeling 18 jaar worden heerst momenteel nog onduidelijkheid bij de zorgaanbieders. De patiënt gaat dan ‘over’ van de Jeugdwet naar de Zorgverzekeringswet en dit kan gevolgen hebben voor de vergoeding en de behandeling van de patiënt.

Dat een degelijk, compleet en goed informatiesysteem de problemen binnen de GGZ kan oplossen is een utopie. Echter, het kan wel enorme verbetering en efficiëntie in de administratieve processen inhouden. Neo ZIS|EPD ondersteunt de zorginstellingen daarbij. MI Consultancy, leverancier van Neo ZIS|EPD, is op de hoogte van de gestelde eisen aan een GGZ-zorgaanbieder en houdt de veranderingen nauw in de gaten.